Kinderen van het eerste leerjaar

Hier vind je alles wat je moet weten over de kinderen van het eerste leerjaar. Het is de theoretische uitleg achter al de tips, tussendoortjes en didactische spelletjes. De ontwikkeling van kleuters en eersteklassers wordt hieronder uit de doeken gedaan. Ook het welbevinden en de betrokkenheid van de leerlingen wordt even kort besproken. 

 

 1. De ontwikkeling van het kind

Ooit al eens leerlingen van een eerste leerjaar geobserveerd? Het zijn maar rare wezentjes. Je vraagt je soms af waarom ze bepaalde dingen doen.

Om dat allemaal te weten te komen, gaan we om te beginnen kijken naar de ontwikkeling van de kinderen. Mensen ontwikkelen namelijk voortdurend: vanaf de dag dat een eicel bevrucht wordt, tot de dag dat een mens dood gaat.

Wanneer een kind in het eerste leerjaar terecht komt, gaat er een hele nieuwe wereld open voor hem. Het kind mag voor de eerste keer naar de “grote school”. Vol spanning kijken kinderen hier naar uit. Ze willen heel graag naar die “grote school”. Ze willen heel graag allerlei dingen leren. Ze zijn nieuwsgierig naar wat er allemaal gaat gebeuren.

Als de eerste schooldag dan is aangebroken, vertrekken ze vast beraden naar die “grote school”. Sommige kinderen zullen heel trots zijn en fier, andere zullen dan weer eerder wat meer teruggetrokken zijn, bang van het onwetende.

De leerkracht van het eerste leerjaar krijgt een klas vol verschillende kinderen. Elk kind heeft zijn eigen kenmerken. Elk kind is anders. Maar toch zijn er ook grote gelijkenissen bij de kinderen. Kijk maar eens bijvoorbeeld naar de lichaamsbouw van deze kinderen of naar de spelletjes die ze spelen.

Maar hoe begin je nu met een klas vol nieuwe eerstejaars?

 

Kleuters

Om te weten wat kinderen van het eerste leerjaar allemaal in het begin van het schooljaar kunnen, denken, voelen, … moeten we eerst naar de ontwikkeling van de kleuter kijken. Het is goed om te weten dat er vooral dieper wordt ingegaan op het gemiddelde kind, zonder speciale aandacht te geven aan bepaalde stoornissen.

      • Wat kunnen kleuters?

Om te beginnen ondergaan alle bewegingsactiviteiten die de kinderen hebben geleerd als peuter, zoals springen, rennen en zwemmen een kwalitatieve verandering tijdens de kleutertijd. Al deze activiteiten kunnen steeds beter worden uitgevoerd. Dit heeft natuurlijk als gevolg dat langdurig stilzitten een moeilijke opgave is voor de kleuters. Ze zijn voortdurend in de weer. Dit merk je ook aan de manier dat ze rond rennen op de speelplaats.

Omdat de kleuters deze eenvoudige bewegingsactiviteiten al goed onder de knie hebben, gaan ze opzoek naar nieuwe uitdagingen. Bewegingsactiviteiten waarbij evenwicht centraal staan, spelen hierbij een belangrijke rol. Denk maar aan de trap op- en aflopen, klimmen, glijden, fietsen, spelen in de speeltuin, …

Ook de fijne motoriek van de kleuters kent een enorme groei. Zo maken ze graag constructies, zoals puzzelen en torens bouwen. Ook het knippen, plakken en kleuren zijn erg geliefde handelingen voor kleuters. De handvoorkeur wordt bij al deze handelingen opgemerkt. 90% van de kinderen ontwikkelen een rechtshandigheid, 10% een linkshandigheid.

 Een kleuter is zeker niet op z’n mondje gevallen. Ze praten maar al te graag over verschillende onderwerpen. De woordenschat van kleuters breidt zich steeds verder uit. Ze leren overal nieuwe woorden. Ook hun zinnen worden steeds langer. Ze kunnen meer volledige zinnen vormen. Er worden wel nog vaak fouten gemaakt, maar die zullen stelselmatig verminderen.

      • Hoe denken kleuters?

De kleutertijd is de periode van de fantasie! De kleuters kunnen wel een duidelijk onderscheid maken tussen fantasie en het echte leven, maar hun fantasie is vaak veel meer aanwezig. De ‘doen-alsof’-spelletjes zijn de favoriete bezigheden van de kleuters. Fantasie is voor hen de bron van plezier en speelse creativiteit. De hunker naar fantasie is niet alleen merkbaar is hun spelen, maar ook in de grote vraag naar sprookjes die de kleuters willen horen. Als je hen een sprookje vertelt, hangen ze aan jouw lippen. Ze gaan helemaal op in het verhaal. Zelf nadat het sprookje verteld is, blijven de kinderen hangen in dat verhaal en spelen ze fantasiespelletjes over dat sprookje.

Tijdens al deze fantasiespelletjes, krijgen de kleuters steeds meer oog voor details. Hun waarnemingen worden steeds nauwkeuriger. Ze zien niet meer enkel de grote lijnen, van alles, maar richten zich ook op de kleinere dingen. Ze beginnen verbanden te zich tussen allerlei verschillende dingen, om zo het grote geheel te zien. Zo kunnen ze bijvoorbeeld al goed puzzelen.

Natuurlijk komt dit omdat hun geheugen een grote ontwikkeling kent in de kleutertijd. Het geheugen van kleuters is in staat steeds grotere periodes te overbruggen. Zo kan je kleuters verschillende versjes, liedjes en verhaaltjes aanleren. In de kleuterklas worden stelselmatig meer denkspelletjes gespeeld, om dit geheugen te trainen. De eerste stappen van het schoolse leren, worden gezet.

      • Hoe gedragen kleuters zich?

Kleuters hebben nog heel sterk een eigen willetje. Ze zitten in de koppigheidsfase. Dat eigen willetje is niet steeds negatief. Vaak is het willetje van een kleuter een positief willen. Ze leren om doelen voorop te stellen en naar deze doelen toe te werken. Dit wil dus zeggen dat ze een positief taakbewustzijn hebben. Ze willen bijvoorbeeld graag meehelpen met de ouders tijdens de afwas, poetsen, stofzuigen of andere huishoudelijke werkjes.

Vooral aan het einde van de kleutertijd is er sprake van taakbereidheid of werkrijpheid. De kleuters kunnen zich lang genoeg richten op één taak, zodat deze taak afgehandeld is. Ze vinden het resultaat van de taak belangrijker dan het plezier dat ze aan de activiteit beleven.

De kleuter ontwikkelt doorheen de kleutertijd meer en meer zelfkennis. Hij kan zichzelf steeds beter beschrijven. Dit gebeurt aan de hand van het beeld van anderen over hem hebben en vanuit wat hij zelf heeft ontdekt over zichzelf. Kleuters leren zich dus stap voor stap beter kennen.

Die zelfkennis zal er voor zorgen dat het sociale leven van een kleuter groter wordt. Terwijl de peuter nog heel hard geneigd is naar zijn ouders te grijpen, begint de kleuter meer en meer toenadering te zoeken bij zijn eigen leeftijdsgenoten.

De vriendschappen die kleuters aangaan is wel nog van tijdelijke en oppervlakkige aard. Een vriend is namelijk gewoon iemand leuk om mee te spelen. Kleuter kiezen hun vrienden op basis van bepaalde kenmerken, maar dit kan heel veranderlijk zijn. De ene dag speelt Lowie heel graag met Bjorn omdat hij ook een jongen is. De andere dag speelt Lowie liever met Marie omdat zij ook van fietsen houdt.

 

Eersteklassers

Nu we weten hoe de ontwikkeling van de kleuters verloopt en wat ze allemaal kunnen, denken en voelen, gaan we ons toespitsen op het eigenlijke onderwerp: de eersteklassers.

Tijdens de lagereschooltijd maakt het kind een hele ontwikkeling door. Vooraleer een kind naar het secundaire onderwijs kan gaan, moet het heel wat leren. Al dat leren begint in het eerste leerjaar. Hier wordt de basis gelegd voor de verdere schoolcarrières van de kinderen. Leerkrachten moeten dus goed weten wat belangrijk is voor de kinderen. Ze moeten alles stelselmatig opbouwen.

      • Wat kunnen eersteklassers?

Alle vaardigheden die de kinderen als kleuter hebben verworven, worden doorheen de lagereschooltijd verfijnd. De gemiddelde motorische prestaties van de kinderen blijven steeds toenemen, zoals rennen, springen en gooien. Jongens zijn hierbij lichtelijk in het voordeel tegenover meisjes.

Rond de leeftijd van 6 jaar kan het kind zijn lichaam goed in evenwicht houden. Ze hebben een goede lichaamsbeheersing.  Ook de oog-handcoördinatie van de kinderen neemt sterk toe.

Tussen 5 en 9 jaar werkt het lagereschoolkind zijn taalverwerving af. Natuurlijk leren ze hun hele leven lang nieuwe woorden en verwerven ze nieuwe zinsconstructies, maar vanaf het begin van de lagere school beheerst het kind de volwassentaal. De moeilijkheden kunnen nu liggen bij de articulatie van woorden en passieve en langere zinnen.

Een opmerkelijke ontwikkeling is het ontstaan van een metalinguïstisch bewustzijn. Dit houdt in dat het kind steeds meer inzicht begint te krijgen in de taal zelf. Ze kunnen vanaf nu beginnen te experimenteren met hun taal. Taalspelletjes zijn dan ook zeer geliefd.  Omdat kinderen vanaf 5 jaar een goede taalbeheersing hebben, kunnen ze beginnen met lezen en schrijven. Daarom wordt dit pas vanaf het eerste leerjaar gedaan. De kinderen zijn dan rijp voor deze activiteiten.

 Wat het kind allemaal kan, gaat bepalend zijn voor zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Het kind gaat geaccepteerd worden door zijn leeftijdsgenootjes op basis van zijn kunnen.

      • Hoe denken eersteklassers?

De eersteklasser moet nu leren zijn waarnemingen veel beter te richten en te sturen. Minder opvallende elementen moeten nu meer in rekening gebracht worden. De waarnemingen van eersteklassers worden steeds gedetailleerder. Ze gaan niet meer in het wilde weg waarnemen, maar gaan systematisch te werk. Zo ontwikkelen ze bijvoorbeeld goede zoekstrategieën om de 10 verschillen tussen twee tekeningen te vinden.

Tijdens de lagereschooltijd moeten de kinderen leren visueel materiaal in gedachten te herschikken zodat er nieuwe structuren naar voren komen. Dit heet perceptuele reorganisatie. Ook moeten ze leren om in een tekening die opgebouwd is uit meerder afzonderlijke figuren zowel het geheel als de afzonderlijke delen te herkennen. Dit wordt ook wel eens perceptuele schematisering genoemd. Als laatste heb je nog de perceptuele exploratie. Dit is het vermogen om een complexe figuur of een afbeelding die meerdere afzonderlijke figuurtjes bevat, systematisch en gedetailleerd te scannen, bijvoorbeeld van links naar recht en van boven naar onder.

De concrete waarneming speelt een belangrijke rol bij de eersteklassers. Het voorstellingsvermogen van het kind is in het begin van het eerste leerjaar nog niet zo groot. Realistische, concreet voorstelbare situaties zijn zeer belangrijk. Alles wat een kind kan zien, zal hij beter begrijpen. Stelselmatig beginnen eersteklasser handelingen in gedachten te kunnen maken. Hierdoor neemt het probleemoplossend denken toe. Het kind kan namelijk in zijn hoofd allerlei verschillende oplossingen bedenken. Daarnaast moet het kind ook leren reversibel te denken. Dat wil zeggen: een uitgevoerde handeling in gedachten terugdraaien naar de oorspronkelijke uitgangssituatie.

Vooraleer de eersteklassers kunnen beginnen te leren lezen, schrijven en rekenen, moeten ze conservatienotie krijgen. Na vormverandering van een object, moeten de kinderen kunnen oordelen dat dit object voor kwantitatieve aspecten gelijk blijft. Het gaat hierbij wel enkel om waarneembare opdrachten. De niet-waarneembare opdrachten zijn voor een eersteklasser nog te moeilijk.

Een eersteklasser moet leren classificatietaken uit te voeren. Dit houdt in dat ze meerdere voorwerpen moeten kunnen sorteren volgens één of meer ordeningsprincipes. De kleuter kon ook al voorwerpen sorteren op enkelvoudige kenmerken, maar de eersteklasser moet nu ook zeer vlot met meerdere ordeningsprincipes tegelijkertijd rekening kunnen houden.

Naast het classificeren van voorwerpen, moet het kind ook in staat zijn tot seriatie. Dit wil zeggen dat het kind moet kunnen ordenen volgens een bepaalde dimensie in een op- of aflopende reeks.

Tenslotte moeten eersteklassers in staat zijn tot transitief denken: het vermogen twee relaties te combineren en daaraan een logische conclusie te verbinden. (bijvoorbeeld: Als een paard groter is dan een schaap, en een schaap is groter dan een kat, dan is een paard ook groter dan een kat.)

Waar de kleuter nog vooral geïnteresseerd was in de fantasie, gaat de eersteklasser nu meer grijpen naar de realiteit. Dingen die echt zijn of echt kunnen zijn, worden belangrijker. Dit wil niet zeggen dat de fantasie helemaal heeft afgedaan, enkel het realistische aspect is noodzakelijk.

De eersteklasser leert beschikken over een sterk associatief geheugen. Hij leert zeer goed te memoriseren door voortdurende herhaling. Dit moet wel stap voor stap gebeuren. Je begint eerst met kleine hoeveelheden leerstof. Later worden deze leerstofpakketen groter.

      • Hoe gedragen eersteklassers zich?

De leeftijdsgenootjes komen bij de eersteklassers steeds meer op de eerste plaats terecht. Dit zijn nu hun favoriete speelkameraden. Omgaan met hun leeftijdsgenootjes, is een sociale leerschool voor de eersteklassers. De kinderen komen in contact met allerlei verschillende karakters en leren hoe ze met andere personen kunnen omgaan, hoe ze moeten samenwerken, hoe conflicten ontstaan en hoe die vermeden kunnen worden. Het stimuleren van samenwerken is dus zeker een must!

Eersteklassers worden steeds sterk beïnvloeden door hun leeftijdsgenoten. Ze passen hun houding en gedrag aan naargelang de verwachtingen van de leeftijdsgroep. Goede relaties met leeftijdsgenoten beïnvloed ook het zelfvertrouwen en het zelfbeeld op een positieve manier. Belangrijk hierbij is het gevoel van sociale aanvaarding. Een eersteklasser is vooral geneigd om te gaan met de kinderen van dezelfde sekse. Meisjes spelen met meisjes, jongens spelen met jongens. Dit komt doordat ze erg bezig zijn met hun genderidentiteit. De lagereschooltijd is namelijk de belangrijkste periode waarin kinderen oefenen wat in hun cultuur past voor een jongen of een meisje. Het is dus niet verwonderlijk dat ook in de klas dit merkbaar is. Probeer de kinderen toch te mixen. Zo leren ze ook met het andere geslacht om te gaan. Ze moeten dan gepast reageren op verschillende persoonlijkheden.

Het is niet altijd even gemakkelijk voor de kinderen om met iedereen rekening te houden. Er ontstaan dan ook regelmatig conflicten, maar deze zijn maar klein en kunnen snel opgelost worden. Het ene moment hebben kinderen ruzie, het andere moment spelen ze goed samen. Uit deze kleine conflicten leren de kinderen veel over zichzelf en over anderen.

Typerend voor de lagereschooltijd zijn de psychologische zelfbeschrijvingen die verwijzen naar het eigen karakter. De kinderen beschrijven zich als “leuk” of “aardig” zonder veel relativering. Ze vergelijken hun vaardigheden met die van anderen en noemen categorieën waartoe ze behoren. In plaats van concrete dingen te formuleren, zoals ‘ik kan tellen tot 100’, gaan ze nu meer algemenere dingen vertellen, ‘ik kan goed rekenen’.

Een eersteklasser gaat steeds langer en intensiever om met leeftijdsgenoten. Langdurige vriendschappen ontstaan. Deze vriendschappen zijn vaak gebaseerd op het kunnen van elkaar. Door zichzelf voortdurend te vergelijken met anderen, leren kinderen zichzelf beter kennen.

Volgens Erikson wordt het lagereschoolkind geconfronteerd met een psychologisch conflict tussen vlijt en minderwaardigheid. Het lagere schoolkind staat voor de opdracht om kennis en vaardigheden op te doen. Wanneer dit goed lukt, voelt het kind zich competent en zal het conflict opgelost worden ten gunste van de vlijt. Het kind wordt hierdoor zelfverzekerder. Lukt het opdoen van kennis en vaardigheden niet meteen, dan ontstaan er minderwaardigheidsgevoelens. Het kind krijgt weinig vertrouwen in zijn eigen capaciteiten. (boek Groot worden)

Dit is zeer belangrijk om te weten als leerkracht. Leerkrachten moeten kinderen met enthousiasme en geduld inwijden in de kennis en vaardigheden, zodat ze de conflicten tussen vlijt en minderwaardigheid kunnen oplossen.

 

 

2. Het welbevinden en de betrokkenheid van leerlingen

Zich goed voelen in hun vel, in de klas en in relaties met anderen zijn belangrijke voorwaarden tot goed leren. Het welbevinden van de leerlingen moet dus hoog zijn. Maar wat is welbevinden nu juist?

Welbevinden wordt gedefinieerd als een bijzondere toestand van het gevoelsleven die zich laat herkennen aan signalen van voldoening, genieten en deugd beleven waarbij de persoon:

      • ontspannen is en innerlijke rust toont
      • energie in zich voelt stromen en vitaliteit uitstraalt
      • open is en zich voor de omgeving toegankelijk opstelt
      • spontaniteit aan de dag legt en zichzelf is

omdat

      • de situatie tegemoet komt aan de basisbehoeften
      • hij/zij beschikt over een positief zelfbeeld
      • en in voeling is met zichzelf

waardoor een gave emotionele ontwikkeling gewaarborgd wordt.

Kinderen moeten zich als een vis in het water voelen op school. Indien ze zich niet goed voelen in hun vel, komen ze moeilijker tot mentale activiteit. Hun aandacht dwaalt dan te veel af naar de emotionele problematiek.

Leerkrachten moeten streven naar een zo hoog mogelijk welbevinden van de leerlingen. Dit kunnen ze doen door een zo goed mogelijke relatie aan te gaan met de leerlingen. Ze moeten zorgen voor een open en ontspannen sfeer. Ook de relatie met andere leerlingen speelt een rol in het welbevinden van de leerlingen. In deze relatie zijn vooral de behoefte aan affectie, warmte en geborgenheid en de behoefte om ‘iemand te zijn in de ogen van anderen’ belangrijk. Leerkrachten kunnen hierbij ook helpen door vrede te bewaren in de klas en de kinderen met elkaar te leren omgaan. Dit is een zeer nuttige bezigheid van de leerkracht. Als laatste kan je als leerkracht ook het welbevinden van de leerlingen verhogen door een spel- en ontspanningswereld te creëren. Kinderen leren veel beter als ze spelenderwijs onderwezen worden. Kinderen laten leren zonder dat ze het beseffen, daar moet je als leerkracht naar streven. Het welbevinden stijgt wanneer het onderwijsaanbod afgestemd wordt op de individuele noden van kinderen.

Maar het welbevinden van de leerlingen wordt niet alleen op school bepaald. Ook de thuissituatie bepaalt hoe een kind zich voelt. Gezinsrelaties, leefomgeving, leemten en tekorten in het aanbod van ervaringsmogelijkheden, overstimulatie, traumatische ervaringen, … dit zijn allemaal factoren die je als leerkracht niet in de hand hebt. Het is dus ook de taak van de ouders om het welbevinden van de kinderen te optimaliseren.

Naast het welbevinden, is ook de betrokkenheid van de leerlingen een belangrijke factor. Is de leerlingenbetrokkenheid hoog, dan zal er een groter leerrendement zijn. Als leerkracht kan je de betrokkenheid van de leerlingen vergroten door aan de noden van de leerlingen te denken. Aansluiten bij de leefwereld, speelse werkvormen aanbieden, enthousiast lesgeven, motiveren, uitdagen, … Dit zijn allemaal factoren die zullen zorgen voor een hoge betrokkenheid.

Welbevinden en betrokkenheid hangen nauw samen. Indien het welbevinden van de kinderen hoog is, zal de betrokkenheid ook hoog zijn en visa versa. Het leerrendement en de sfeer in de klas zullen optimaal zijn indien alle leerlingen een hoog welbevinden vertonen.

 

 

 

2 Reacties to “Kinderen van het eerste leerjaar”


  1. Cortens Nele zegt:

    Dag,

    Proficiat met je website, leuke ideetjes en achtergrond voor de leerkracht!
    Ik sta al enkele jaren in het eerste leerjaar, maar vind toch nog elk jaar ideetjes om het anders aan te pakken. Ook op jouw site deed ik inspiratie op!


Plaats een reactie



bottom
%d bloggers op de volgende wijze: